Vroeger deed ik moeilijke dingen vooral alleen. Ik hield best van contact en kon ook echt genieten van andere mensen, maar zodra het ingewikkeld werd, trok ik me terug. Verdriet, angst, boosheid, verwarring, uitputting: dat verwerkte ik liever in mijn eentje. Pas als ik alles weer een beetje op orde had, als ik snapte wat er aan de hand was en me niet meer overweldigd voelde, ging ik terug naar andere mensen. Van herstel en co-regulatie had ik toen nog geen weet. Ik was gewend om dit soort dingen alleen te doen.

Dat voelde voor mij heel normaal. Zo deed ik het gewoon.

Zelfstandig, maar ook alleen

In veel situaties werkt dat prima. Als je zelfstandig bent, goed voor jezelf kunt zorgen en niet veel hulp nodig hebt, dan kom je een heel eind. Er is ook niets mis met autonomie. Sterker nog, het is iets heel waardevols.

Maar het lastige is dat die zelfstandigheid je ook kan opbreken op de momenten dat het minder goed gaat. Juist dan zou steun van anderen helpend kunnen zijn. Alleen: als je niet goed kunt ontvangen wat een ander je geeft, dan heb je daar ook niet zoveel aan. Dan weet je misschien best dat er mensen voor je klaarstaan, maar voel je je toch alleen.

Dat herken ik wel. Ik wist vaak best dat anderen het goed met me voorhadden. Maar op het moment dat ik gespannen, bang of verdrietig was, voelde nabijheid eerder als te veel dan als steun. Als iemand dan bij me kwam, werd ik vaak juist nog nerveuzer. Niet omdat ik die ander niet vertrouwde, maar omdat ik het gewoon niet gewend was. Alsof er iets in mij zei: dit doe je niet. Dit draag je zelf.

Waarom steun niet altijd geruststelt

Daar kwam bij dat ik ook gevoelig ben voor de stemming van anderen. Als ik zelf gespannen ben en iemand probeert me te kalmeren, dan werkt dat alleen als diegene ook echt rust uitstraalt. Als iemand zelf ook onzeker, gehaast of gespannen is, dan voel ik dat meteen. En dan word ik zelf juist onrustiger.

Dat maakt co-regulatie ook niet zo simpel. Het is niet alleen maar: iemand is aardig tegen je en dus helpt het. Het werkt vooral als de ander iets belichaamt waar jij op kunt meeliften. Rust. Geduld. Stevigheid. Een kalm zenuwstelsel, zou je kunnen zeggen.

In mijn omgeving was het eerder vaak andersom. Ik was juist degene die de kalmte moest bewaren. Ik kreeg ook vaak terug dat ik rust uitstraalde, dat mensen zich bij mij op hun gemak voelden, dat ze zichzelf konden zijn zonder zich veroordeeld te voelen. Dat is op zichzelf mooi. Maar ik heb ook moeten leren dat dat niet automatisch betekent dat het de andere kant op ook zo werkt.

Wat ik niet geleerd had

Achteraf denk ik dat dit voor een groot deel iets is wat je al vroeg meekrijgt. Leer je thuis dat je op elkaar kunt leunen? Of leer je vooral om het zelf te doen?

Ik heb vooral geleerd om het zelf te doen.

Dat gaat vaak lang goed, totdat het niet meer goed gaat. Totdat je merkt dat alles alleen dragen je uitput. Dat je best steun zou kunnen gebruiken, maar die niet goed kunt toelaten. Dan wordt eenzaamheid iets ingewikkelds: niet alleen het gemis van mensen, maar ook het gemis van het vermogen om je echt door anderen te laten helpen.

Leren ontvangen

Dat was voor mij ook een belangrijk doel in therapie. Niet alleen praten over wat ik voelde, maar echt onderzoeken wat er gebeurde als ik bleef zitten op een moment dat het spannend werd, en de ander rustig bleef. Zou ik daar dan doorheen kunnen komen? Zou ik kunnen merken dat nabijheid niet per se bedreigend is?

Door daar bewust bij stil te staan, begon er iets te verschuiven. In latere sessies merkte ik opeens: als jij bij mij in de buurt bent, word ik daar niet nerveus van. Ik word er rustiger van.

Dat was voor mij een belangrijk moment. Omdat ik toen begon te ervaren dat contact niet alleen iets hoefde te zijn waar ik energie in stopte. Dat ik er ook iets uit kon halen.

En dat maakt veel uit. Want als je geen co-regulatie kunt ontvangen, wordt contact al snel vermoeiend. Dan ben jij degene die afstemt, draagt, invoelt, rekening houdt, kalm blijft. Maar dan stroomt het vooral één kant op. En dat put uit.

Grenzen helpen ook

Wat mij daarnaast erg geholpen heeft, is beter leren begrenzen. Niet alleen emotioneel, maar ook praktisch. Ik merkte bijvoorbeeld dat contact me veel sneller uitputte in periodes van burn-out. Een afspraak van een uur was dan soms al best lang.

Dus toen ben ik daar veel bewuster naar gaan kijken. Hoe lang is contact nog prettig? Wanneer kost het meer energie dan het oplevert? En hoe kan ik dat zo organiseren dat het wél fijn blijft?

Dat betekende soms: korter afspreken. Soms: alleen wandelen. Soms: juist even rustig zitten. Soms: wel praten, maar niet te lang. Dat is voor iedereen anders. Voor de één is vijf minuten genoeg, voor de ander juist veel langer. Het punt is niet wat de juiste duur is. Het punt is dat je leert voelen wat voor jou werkt.

Ook dat helpt bij co-regulatie. Niet alleen omdat de ander er dan is, maar ook omdat jij merkt dat je zelf invloed hebt op hoe het contact verloopt. Dat je niet hoeft te verdwijnen in de ander. Dat jouw grenzen meetellen. Dat maakt het veiliger om iets te ontvangen.

Opmerken wat goed doet

Wat ik nu fijn vind, is dat ik co-regulatie ook steeds meer herken in het dagelijks leven. Soms in heel kleine dingen. Bijvoorbeeld als ik nerveus ben voor een presentatie en ik hoor een collega praten, en ik merk ineens: die stem werkt kalmerend. Ik voel me wat rustiger worden.

Dat zijn subtiele momenten, maar ze zijn niet onbelangrijk. Juist als je dit lange tijd niet zo goed hebt gekend, kun je er gemakkelijk aan voorbijgaan. Dan is het er misschien wel, maar leef je er niet echt op.

Daarom helpt het mij om er bewust even bij stil te staan. Als iemand iets doet waardoor ik me rustiger voel, of energieker, of meer op mijn gemak, dan merk ik dat nu vaker op. Even denken: hé, wat fijn dat dit bestaat. Wat fijn dat ik dit kan voelen.

Alleen dat al maakt soms verschil.

Balans tussen autonomie en verbinding

Co-regulatie betekent voor mij niet dat je afhankelijk moet worden van anderen. Goed alleen kunnen zijn blijft belangrijk. Autonomie blijft belangrijk. Er zijn ook mensen voor wie het juist nodig is om meer op zichzelf te leren vertrouwen.

Maar mijn eigen risico zat eerder aan de andere kant. Ik kon heel goed alleen zijn. Misschien iets te goed. Het probleem was niet dat ik te veel leunde op anderen, maar dat contact me eerder uitputte dan voedde.

Juist daarom ben ik blij dat daar verandering in is gekomen. Dat ik nu makkelijker iets van anderen kan ontvangen. Dat contact me niet meer per se van mezelf af hoeft te trekken. Dat ik nabijheid beter kan toelaten zonder mezelf kwijt te raken.

Voor mij is dat ook herstel: niet alleen dat je sterker wordt in je eentje, maar ook dat je steeds meer kunt ervaren dat je het niet altijd alleen hoeft te doen.

Hi, I’m Nicole

One Comment

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *